De Ceulaer, Gooi God niet weg. Over geloof, ongeloof en bijgeloof (2014)

Over de noodzaak van de rede en het nut van religie

“Wie zal de menigte van zwakke mensen tellen, van wie het gevoel voor waar en onwaar verwoest is bij het streven naar een onmogelijke harmonie –van wie het leven verknoeid is bij de poging om de overvloedige nieuwe wijn van de wetenschap in de oude kruiken van het Jodendom te persen?”

Zo schreef Thomas Huxley, bewonderaar en tijdgenoot van Darwin over de vergeefse pogingen die mensen ondernemen om wetenschap en religieus geloof met elkaar te verenigen. Joël De Ceulaer, filoloog, filosoof en thans redacteur bij Knack, valt Huxley in zijn recent verschenen boek Gooi God niet weg. Over geloof, ongeloof en bijgeloof (De Bezige Bij Antwerpen) bij: godsdienstig geloof en wetenschap zijn niet met elkaar in overeenstemming te brengen. In de proloog van zijn boek geeft De Ceulaer zijn eigen positie duidelijk weer: “Ik ben een atheïst, ik ben terdege ongelovig. Ik ga ervan uit dat we in een universum leven dat uit louter materie en energie bestaat. Het bovennatuurlijke heeft in mijn wereldbeeld geen plaats. Het behoort al jaren tot mijn journalistieke missie om alle vormen van bijgeloof –buiten, maar evengoed binnen de wereld van de georganiseerde godsdienst-  ondubbelzinnig te ontmaskeren.” Aan deze missie geeft De Ceulaer in de volgende acht hoofdstukken van zijn boek gehoor. Dit levert een verrassend boek op.

In het eerste hoofdstuk onderbouwt De Ceulaer zijn visie dat godsdienst en wetenschap niet verenigbaar zijn. Dit doet hij aan de hand van een gesprek met kardinaal Godfried Danneels, waarbij De Ceulaer Danneels wil confronteren met de implicaties van Darwins evolutietheorie. Danneels stelt in het gesprek dat hij de evolutietheorie accepteert en het scheppingsverhaal in de Bijbel niet als letterlijke beschrijving van de werkelijkheid leest. Cruciaal blijft volgens hem echter dat God heeft geschapen. Wanneer De Ceulaer tegenwerpt dat God met de evolutietheorie niet meer nodig is om te verklaren waar wij vandaan komen en waarom wij zo functioneel in elkaar zitten, stelt Danneels dat het voor hem een raadsel blijft waarom het allemaal op die manier gebeurd is. Daarvoor moet een reden bestaan. Wanneer de auteur tegenwerpt dat een essentieel punt in de evolutietheorie nu juist de afwezigheid van een doel in de natuur is, antwoordt Danneels dat hij bezwaren heeft met deze visie. Zonder doel zou de mens slechts een slecht geconstrueerde carrosserie zijn. Met Danneels’ antwoord is het voor De Ceulaer duidelijk aangetoond: geloof en wetenschap zijn niet met elkaar in overeenstemming te brengen. Rome aanvaardt de evolutietheorie slechts omdat zij deze niet wezenlijk begrijpt. Mochten ze de theorie wel begrijpen, dan zouden ze deze niet aanvaarden. Het universele zuur van de evolutietheorie vreet namelijk elke vorm van bovennatuurlijkheid aan. Dat geldt trouwens niet alleen voor de godsdienst, aldus De Ceulaer. Uit gesprekken is de auteur gebleken dat vele academici, waaronder sociologen, psychologen, filosofen, taalkundigen en godsdienstwetenschappers maar een betrekkelijk vaag idee hebben wat wetenschap in het algemeen en de evolutietheorie in het bijzonder precies inhoudt.

In het tweede hoofdstuk zet De Ceulaer uiteen wat de essentie van de evolutietheorie dan inhoudt. Dit: de natuur slaagt er in om met eenvoudige ingrediënten en een paar eenvoudige regels de meest complexe ontwerpen voort te brengen. Nu is de mens een mateloos ingewikkeld wezen, die behoorlijk efficiënt en doelgericht in elkaar lijkt te zitten. En toch is dat hele lichaam met al die complexiteit zonder tussenkomst van derden tevoorschijn gekomen uit de simpele fusie van een zaadcel en een eicel. Nu heeft de duizelingwekkende complexiteit van de mens velen in het verleden en heden aanleiding gegeven om te denken dat er toch iemand moet zijn die deze complexiteit heeft veroorzaakt. Bij een ingewikkeld ontwerp hoort immers een ontwerper, zoals bij een horloge een horlogemaker hoort. De Britse dominee William Paley blies dit aloude argument from design, dat ook bij Plato en Aristoteles voorkomt, in de negentiende eeuw in zijn boek ‘Natural Theology’ nieuw leven in. De mens is een soort horloge, een wezen dat uiterst vernuftig in elkaar zit. Een beroep op toeval kan deze complexiteit niet verklaren. Het bestaan van de mens wijst daarom, aldus Paley, op God. De Ceulaer beschrijft hoe dit argument hem, net als Darwin in zijn jeugd, langdurig overtuigd heeft. Voor iemand die weet heeft van de evolutietheorie, verliest het argument echter iedere kracht. Darwins theorie verklaart namelijk hoe de natuur de verschillende soorten ‘ontwerpt’ zonder dat hier een plan, doel of bewuste ingreep van buitenaf aan ten grondslag ligt. Wie goed naar de mens kijkt, ziet dat deze allerminst perfect is. De mens is het beste van datgene wat beschikbaar is. Zo gaat de lucht naar onze longen en het voedsel naar onze maag door hetzelfde gat. Dit kan, maar optimaal is het geenszins, hetgeen ieder weet die zich eens goed verslikt heeft. Een Intelligente Ontwerper zou twee openingen hebben aangebracht. De ontwerpen die de natuur aanbrengt zijn, aldus De Ceulaer in navolging van Dawkins, blind.

Met Darwins theorie wordt een fundament van een rationeel verantwoord wereldbeeld gelegd, aldus de auteur. Wie iets wil leren over de plaats van de mens in de kosmos, moet daarmee beginnen. De drie stappen die samen te evolutietheorie vormen zijn goed te begrijpen: er is sprake van variatie (ieder levend wezen is uniek), van selectie (de natuur selecteert wie veel nakomelingen heeft en wie er geen heeft) en van overerving (wie het haalt in de strijd om de overleving en voortplanting ziet zijn of haar genetisch materiaal terug in de volgende generatie). De Ceulaer wijst hierbij met recht op een hoop misverstanden over de evolutietheorie. Wanneer een diersoort zich heeft aangepast, is dit geen bewuste keuze van het dier maar een proces dat zich gewoonweg voltrekt. Ook is evolutie geen kwestie van louter toeval. De mutaties die optreden en de veranderingen die in de omgeving optreden zijn toevallig. De adaptaties (aanpassingen) zijn echter niet toevallig. Ook de term ‘natuurlijke selectie’ lijkt een zekere doelgerichtheid te impliceren, alsof de natuur wikt en weegt. Dit is niet het geval: het gebeurt domweg. Ook heeft de overleving van de ‘fittest’ niet per definitie met fysieke kracht te maken. Het gaat om de beste aanpassing aan de omgeving. Verder kent de natuur geen moraliteit, geen doelgerichtheid en bestaan er in de natuur enkel oorzaken en geen redenen.

Nadat De Ceulaer uit de doeken heeft gedaan wat een rationeel wereldbeeld inhoudt, legt hij in de hoofdstukken drie tot en met acht uit waarom een rationeel wereldbeeld van belang is en welke verschijnselen een dergelijk wereldbeeld in de weg staan. In hoofdstuk drie beschrijft de auteur waarom velen, waaronder wetenschappers, de evolutietheorie niet accepteren. Eén van de redenen is dat er angst bestaat om menselijk gedrag te reduceren of te herleiden tot de biologie. De auteur neemt hier een duidelijke stelling in: de mens is een biologisch wezen en dus is alles wat hij doet en denkt uiteindelijk een biologisch verschijnsel. Zelfs de illusie dat wij de biologie overstijgen is een door en door biologisch gegeven. En nee, wie het onderliggende mechanisme van een verschijnsel als ‘liefde’ begrijpt, doet niets af aan de schoonheid of oprechtheid er van. Door het mechanisme bloot te leggen is het motief immers niet wegverklaard. De vraag is echter of dit zo is.

In het hoofdstuk daarna wordt het verschil tussen kunst en wetenschap uitgelegd. Kunst leert ons weinig, al doet het van alles met ons. Kunst kan het leven betekenis geven, zoals godsdienst maar leert ons niet om de werkelijkheid te doorgronden. Hoofdstuk vijf bevat een interessante uiteenzetting over het postmodernisme. De auteur legt uit waarom hij een halve postmodernist is (wel in de democratie, niet in de wetenschap) en laat overtuigend zien hoe postmoderne filosofie nogal eens leunt op quasi-diepzinnigheden die bij nadere beschouwing, simpelweg onzin blijken te zijn. Hoofdstukken zes tot en met acht bevatten lezenswaardige uiteenzettingen over parapsychologie, de aanzienlijke gevaren van alternatieve geneeskunde, veelvoorkomende denkfouten en een betoog waarom Freuds psychoanalyse geen wetenschappelijke theorie is.

In de laatste hoofdstukken van het boek maakt De Ceulaer een opmerkelijke stap. Wanneer hij heeft uitgelegd wat het voor hem betekent om met een wetenschappelijk wereldbeeld te leven (o.a. het verwerpen van alle vormen van bijgeloof, van kerkelijke mirakels tot alternatieve geneeskunde) betoogt hij vervolgens dat we God toch niet mogen weggooien. Dit zou namelijk noch mogelijk noch wenselijk zijn: we kunnen en hoeven God niet weg te gooien. Hoe zit dit? Allereerst zit religie, net als bijvoorbeeld jaloezie, volgens De Ceulaer stevig in de menselijke aard verankerd. Dit maakt afschaffen eenvoudigweg onmogelijk. Nu is dit idee, zo erkent ook De Ceulaer, omstreden. Richard Dawkins ziet religie niet als een biologisch maar als een cultureel verschijnsel, een meme, een cultureel concept met hoge overlevingswaarde. Onomstreden is echter dat de impact van godsdienst op onze planeet enkel toeneemt. Europa, waar God werd doodverklaard, is hierop de grote uitzondering. Niets wijst er op dat dit snel zal veranderen. Hoe is de populariteit van godsdiensten te verklaren? Onderzoekers als Tiger en McGuire stellen als antwoord dat religie nut heeft: het is goed tegen stress.[1] Ons brein is namelijk niet gemaakt om na te denken maar om te handelen. Nu is de wereld zeer complex, onvoorspelbaar en dubbelzinnig. Er gaan veel dingen fout en voortdurend slaat het onheil toe. Dit veroorzaakt stress. Wanneer het brein zich vragen gaat stellen over zichzelf, over de oorsprong identiteit van deze wereld, veroorzaakt dit stress. Religie neemt deze stress weg door het bieden van een grote, allesomvattende verklaring: er is een Schepper, Die met deze wereld een bedoeling heeft. Het gunstige effect van religie is direct zichtbaar, aldus Tiger en McGuire: wie een godsdienst belijdt, beïnvloedt daarmee direct het serotoninegehalte in zijn brein. Het idee dat in Gods ogen alle mensen gelijk zijn geeft een blijmoedige omgang tussen de gelovigen en stelt het brein gerust. Rituelen, zoals bidden of mediteren doen hetzelfde. Of het nu biologisch of cultureel is, geloven verschaft ondubbelzinnig rust.

Naast nuttig is het volgens De Ceulaer ook onverstandig om godsdienst van de aarde te willen laten verdwijnen, zoals Dawkins c.s. voorstellen. Hoewel de rekensom moeilijk te voltrekken is, is het namelijk zeer te betwijfelen of de wereld beter af zou zijn zonder godsdienst. Tegenover elke terroristische aanslag zijn er vele initiatieven van gelovigen die op grote en kleine schaal aan liefdadigheid doen, zoals het geven van onderwijs, zorg en onderdak aan allerlei minderbedeelden. Het boek concludeert met een constructie voor een atheïstisch godsbeeld, dat niet echt overtuigt omdat het nogal eens in tegenspraak is met datgene dat hij in eerdere hoofdstukken heeft beweerd. Waar het accent eerst lag op toetsbare hypothesen als voorwaarde voor kennis, speculeert de auteur in dit hoofdstuk ineens over multiversa die een verklaring zouden kunnen bieden voor de opmerkelijke finetuning van de natuurwetten in het universum op de verschijning van intelligent leven. Waar het universum voorheen slechts uit materie en energie bestaat en door de wetenschappen kan worden begrepen, zijn de wezenlijke vraagstukken nu niet te vatten in woorden, het echte mysterie niet waar te nemen of te meten en drukken kunst en religie à la Wittgenstein het onzegbare uit. Maar wat bedoelt de auteur dan met dit onwaarneembare mysterie of het onzegbare?

Twee punten van kritiek bij dit boek.
De Ceulaer verdedigt de positie van het wetenschappelijk realisme. Hij stelt immers dat het in de wetenschappen gaat om een collectief en rationeel project, waarbij via de wetenschappen objectieve, totaal betrouwbare kennis wordt verworven over de werkelijkheid. Naast een epistemologische claim is dit ook een duidelijk metafysische claim voor de auteur. Alleen de wetenschappen zijn in staat om het voornoemde kennisideaal te verwezenlijken. De auteur erkent hierbij dat dit ideaal voor ons brein niet de natuurlijke drijfveer is (pagina 96) en dat dit dus flink wat van de wetenschapper vraagt. De Ceulaer stelt zich hierbij niet de noodzakelijke vraag of het voor biologische wezens als de mens, die gericht zijn op overleving en voortplanting, wel mogelijk is om objectieve, totaal betrouwbare kennis over de werkelijkheid te verwerven. Waaraan ontleent De Ceulaer deze zekerheid? Ook Kants worsteling om zowel recht te doen aan de status van de natuurwetenschappen (Newton) als aan de inherente beperkingen van het kennend subject (Hume) lijkt aan De Ceulaer niet besteed, zonder dat duidelijk is waarom hij dit probleem dan zou hebben opgelost. Tot slot mis ik bij de auteur een kritische blik op wetenschap die oog heeft voor de voorlopigheid en inherente methodische beperktheid van wetenschappelijk onderzoek. De kritiek richt zich nu enkel op het onderscheiden tussen pseudowetenschap en wetenschap.

Een tweede punt is de visie op de verhouding tussen godsdienst en wetenschap die de auteur uiteenzet. De Ceulaer stelt met Dawkins dat Darwins evolutietheorie het mogelijk heeft gemaakt om een intellectueel volkomen bevredigd atheïst te zijn (pagina 26). Hij baseert deze stelling op het feit dat Darwins theorie het argument from design heeft weerlegd. Dit gaat veel te snel. Het is zonder meer waar dat de evolutietheorie verstrekkende wijzigingen in het mens- en gods- en natuurbeeld oplevert. Ook is het zonder meer correct dat met de acceptatie van de evolutietheorie het designargument overtuigend is weerlegd. Dat dit voor velen nog steeds moeilijk is te accepteren, wordt bewezen door de herintroductie van dit argument in de Intelligent Designbeweging (2005) alsook in het hedendaagse creationisme, waar ontwerpargumenten en teleologisch denken over de natuur ten onrechte weer volop aanwezig zijn. Uit de acceptatie van de evolutietheorie volgt echter nog niet het atheïsme waarop de auteur zich beroept. Twee zaken daarover. Het valt allereerst op dat de auteur wetenschappelijke en levensbeschouwelijke claims in het boek helaas niet uit elkaar houdt. Zo leidt hij uit de tweede wet van de thermodynamica, die stelt dat in een gesloten systeem, waar van buitenaf geen energie aan wordt toegevoegd, de chaos (entropie) altijd zou toenemen, de metafysische conclusie af dat het leven zinloos is nu er geen finale bestemming bestaat (pagina 88). Deze conclusie volgt slechts uit een metafysische (sciëntistische) vooronderstelling, die stelt dat slechts wetenschappelijke kennis ons beeld van de werkelijkheid dient te bepalen. Deze vooronderstelling is, naast zelfweerleggend, uitermate discutabel. Wetenschappelijke theorieën en metafysische implicaties dienen daarom beter uit elkaar gehouden te worden dan de auteur in dit boek doet.

Ten tweede is het onomstreden om te stellen dat het universum een begin heeft gehad en dus een eindige tijd geleden is ontstaan. Nu is het redelijk om te stellen dat alles wat begint te ontstaan een ontstaansoorzaak dient te hebben. Nu de kosmos het geheel vormt van tijd, ruimte en materie, dient deze oorzaak zelf uiteraard buiten tijd, ruimte en materie te staan. Dit zou het atheïsme van de auteur weerleggen. Ook de verhouding tussen godsdienstig geloof en wetenschap is, wanneer de evolutietheorie voluit wordt geaccepteerd, nog niet noodzakelijkerwijs conflictueus van aard, zoals de auteur stelt. Ik ben het met hem eens dat vele pogingen in dit kader te snel tot harmonie tussen geloof en wetenschap concluderen. Naast conflict en volstrekte harmonie is echter ook de visie mogelijk dat geloof en natuurwetenschap twee verschillende perspectieven op de werkelijkheid zijn en de werkelijkheid op verschillende manieren benaderd kan worden, zonder dat dit per definitie een boedelscheiding oplevert.[3]

Ondanks deze kritiek heeft De Ceulaer een boeiend boek geschreven met een duidelijke, goed uitgewerkte stellingname. Zijn filosofische scholing is zichtbaar in de nauwkeurige en heldere wijze van formuleren en van argumenteren die dit boek kenmerken, alsook in het feit dat hij geen genoegen neemt met ondoordachte standaardantwoorden. Zijn journalistieke achtergrond vertaalt zich in de stilistische klasse waarvan dit boek getuigt.

Dirk van der Wulp

N.a.v. Joël De Ceulaer, Gooi God niet weg. Over geloof, ongeloof en bijgeloof, De Bezige Bij Antwerpen, 2014 (223 pagina’s).


Noten
[1] Lionel Tiger en Michael McGuire, Het goddelijke brein.
[2] In Nederland is deze visie (onder meer) uiteengezet door Taede Smedes in zijn boek ‘God én Darwin. Geloof kan niet om evolutie heen.’ Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2009.

Uitgebreid zoeken

Categorie
Tag
Auteur
Tekst