Brink, van den, 'En de aarde bracht voort' (2017)

RECENSIE DOOR JART VOORTMAN

 

Een van de belangrijkste thema’s over geloof en wetenschap wordt gevormd door de vragen rond schepping en evolutie. Gijsbert van den Brink, hoogleraar geloof en wetenschap, is al meer dan vijftien jaar intensief met deze vragen bezig. En de aarde bracht voort is een boek dat uitblinkt in helderheid en documentatie.

Direct aan het begin vertelt de auteur iets over zijn eigen achtergrond: de Gereformeerde Bond. In deze kringen is men voor een zo letterlijk mogelijke interpretatie van de eerste boeken van de Bijbel. Men is ‘latent creationistisch’, maar tegelijk wantrouwig tegenover pseudowetenschap. Gesprekken met Cees Dekker doen Van den Brink voor het eerst vermoeden: misschien is de evolutietheorie wel gewoon correct. Zoveel jaar later concludeert Van den Brink: evolutie is de meest aannemelijke wetenschappelijke verklaring voor de biodiversiteit op aarde.

 

Creationisme en intelligent design

Van den Brink blijft in gesprek met zijn achterban als hij een aantal alternatieve zienswijzen bespreekt. Jongeaardecreationisten beweren dat de aarde alleen maar oud lijkt. Ze geloven dat de zondvloed een grote invloed heeft gehad op de geologische structuren van de aarde. Intelligent design was een korte tijd populair. Men is er echter niet in geslaagd om criteria op te stellen voor de zogenaamde onherleidbare complexe systemen. Intelligent design is een God-van-de-gaten-theorie. Door de voortgang van de wetenschap komen er steeds meer verklaringen en wordt de ruimte voor Gods ingrijpen steeds kleiner. Op een geraffineerde manier neemt Van den Brink Voetius op in zijn betoog. Voetius was in de 17e eeuw een fel tegenstander van het heliocentrisme van Copernicus. Voor Voetius stond hier het christelijk geloof op het spel. Van den Brink zegt: tegenwoordig zijn er geen gelovigen meer die geloven dat de zon om de aarde draait. Het verzet van Voetius tegen dit idee is volkomen achterhaald. Zou er met evolutie niet iets vergelijkbaars aan de hand zijn?

 

Uitleg van de Bijbel

Belangrijk is hoe wij de eerste hoofdstukken van de Bijbel lezen. In het concordisme gelooft men dat uitspraken in de Bijbel over de fysieke wereld bindend zijn. Het gevolg is dat men Bijbelteksten moet oprekken om in overeenstemming te zijn wetenschappelijke kennis. En als wetenschappelijke inzichten veranderen, moet men zijn Bijbeluitleg ook weer bijstellen. Zo springen gelovigen van de ene ijsschots op de andere. We moeten de Bijbel lezen vanuit de gerichtheid van de Bijbel zelf. Het is een categoriefout als wij de perspectieven van de Bijbel vermengen met die van de wetenschap. Voor Calvijn is het in verband met de beschrijving van de vierde scheppingsdag geen probleem dat Saturnus groter is dan de maan. In de concordistische Bijbeluitleg is dat wel een probleem. De concordistische Bijbeluitleg is in strijd met de organische inspiratieleer van Kuyper en Bavinck.

Wat ik een beetje gemist heb in het hoofdstuk over de uitleg van de Bijbel is de uitwerking van wat de eerste hoofdstukken van Genesis werkelijk willen zeggen. Als we Genesis 1 nauwkeurig lezen, ontdekken we dat het hier niet kan gaan om een beschrijving van wat er in het begin gebeurd is. Genesis 1 stelt de vraag: Is het wel vertrouwd hier op aarde? Zijn we wel veilig? Vervolgens zien we op de panelen licht en duisternis en wateren boven en onder. Duisternis en water zijn in Genesis 1 equivalenten voor wat ons schrik aanjaagt. De eerste drie scheppingsdagen vertellen hoe God stap voor stap de aarde veilig maakt. Schepping betekent: God maakt de aarde bewoonbaar (Jesaja 45:18). Zie verder mijn artikel Verwondering en verbijstering.

 

Adam, de zondeval en de dood

Het wetenschappelijke wereldbeeld met geologische tijdperken van miljoenen jaren maakt een evaluatie van het Bijbelse spreken over de eerste mens, de zondeval en de intrede van de dood noodzakelijk. Van den Brink onderscheidt de volgende benaderingen in de uitleg van Genesis 2 en 3:

1. In de ahistorische uitleg staan Adam en Eva model voor wie wij zondige mensen zijn. De zondeval is niet een historisch gebeuren uit de oertijd, maar staat symbool voor het verlies van onze onschuld.
2. De prehistorische uitleg: Adam en Eva waren 10.000 jaar geleden niet de enige mensen op aarde. Maar ze werden wel door God uitgekozen om een relatie met hem aan te gaan. Toen zij in zonde vielen, had dat een weerslag op de toenmalige mensheid. De intrede van de dood moet niet letterlijk worden opgevat.
3. De oerhistorische uitleg: Adam en Eva zijn de eerste leden van de soort homo sapiens. Door een bijzondere openbaring weten we dat er een zondeval heeft plaatsgevonden. Gen. 2 en 3 is een sage, dat wil zeggen een vertelling met een historische kern.
4. De oudhistorische uitleg ziet Genesis 2 en drie als een min of meer letterlijk verslag. Adam en Eva waren de enige mensen op aarde. Adam wordt letterlijk uit de aarde gevormd. De mens stamt dus niet af van de apen. Er is dus een probleem met wetenschappelijke kennis. Ook vormen de verschillen tussen Genesis 1 en 2 een probleem. Ruim tien jaar geleden hield Van den Brink overigens wel vast aan een aparte schepping van de mens.1
5. De jonghistorische uitleg is die van het jongeaardecreationisme.

Van den Brink kiest voor de oerhistorische uitleg. Adam en Eva moeten na de culturele big bang van 45.000 jaar geleden geleefd hebben. Zij zijn de eerste mensen die persoonlijk door God worden aangesproken. Zij zijn 'homo divinus' (237).
Paulus zegt in Rom. 5:12 dat door de zonde de dood in de wereld is gekomen. Ruim tien jaar geleden had Van den Brink als uitleg: de lichamelijke dood, die er al was, kreeg door de zonde ‘een diepe geestelijke dimensie’.2 Nu komt hij met een andere oplossing. De eerste mensen hadden van God onsterfelijkheid ontvangen. Dat was nieuw. Door de zondeval raakten ze hun onsterfelijkheid weer kwijt. Het is een doordachte oplossing want ‘wetenschappelijk is deze mogelijkheid niet uit te sluiten’ (245).
Verder: we hoeven niet vast te houden aan één Adam en Eva. Er kunnen ook enkele duizenden van hebben rondgelopen (255).
Met deze bijstellingen meent Van den Brink het Bijbelse verhaal ‘gerecontextualiseerd’ te hebben.

 

De grote vraag van het lijden

De Grauwe Klauwier, die kevers prikt op de doornen van een struik, en ze in deze marteltoestand zo lang mogelijk in leven laat om de kevers op die manier vers te houden. Sommige sprinkhanen en spinnen, waarbij het wijfje na de liefdesdaad haar partner begint op te eten. De leeuw die, als een vrouwtje welpen heeft terwijl de vader van die welpen van het toneel is verdwenen, eerst deze welpen doodt om de volgende dag met het vrouwtje te paren. De natuur zit vol gruwelijk leed. Hoe kan de goede God dit allemaal bedacht hebben? 

Er bestaat een oplossing voor dit probleem, namelijk de voorstelling dat dieren een soort automaten zijn. Dieren lijden niet want dieren hebben geen ziel. Dat is de visie van Descartes (3). Deze oplossing is niet deugdelijk want er zijn veel aanwijzingen dat dieren wel lijden en wel pijn kunnen hebben.
Een andere oplossing is de theorie van de kosmische val (4). Dat is het idee dat de dierenwereld veranderd is na de zondeval. Van den Brink gaat hier niet in mee. Het staat niet nadrukkelijk in de Schrift. Bovendien is het niet rechtvaardig als dieren moeten lijden omwille van de mens. Verder is het moeilijk voor te stellen dat dieren in één keer van herbivoor carnivoor worden. Het idee van de kosmische val past niet in het moderne wetenschappelijke wereldbeeld.
Als we in ons geloof een sterk idee hebben van Gods almacht (5) kan het idee ontstaan dat het lijden in de natuur, hoe onbegrijpelijk ook, deel uitmaakt van Gods plan om uit te komen bij schoonheid en overvloed. Maar het is wel moeilijk om te verklaren dat deze doelen alleen op die manier bereikt kunnen worden.
Interessant is de passage over de invloed van het kwaad (6) op deze wereld, waardoor de schepping vanaf het begin verstoord is geraakt. C.S. Lewis had er speculatieve gedachten over. Maar ook Karl Barth maakt in zijn scheppingsleer plaats voor de invloed van ‘das Nichtige’. De filosoof Torrance is er sterk door beïnvloed. De theologe Nicola Hoggard Creegan pleit voor een theologie van gebrokenheid. Ze noemt zichzelf een gematigde dualist.
Van den Brink spreekt geen voorkeur uit voor optie (5) of (6).

 

Natuurlijke selectie

De bioloog Simon Conway Morris spreekt over convergentie. De onvermijdelijke uitkomst van het willekeurige proces van evolutie is dat er intelligent leven moest ontstaan. Hierin ziet Van den Brink een bevestiging van de gedachte dat achter het soms wrede mechanisme van natuurlijke selectie God uiteindelijk de wereld naar zijn doel leidt.
Natuurlijke selectie is gebaseerd op toeval. Merkwaardig is het dat Van den Brink hier de vraag stelt: ‘Maar om wat voor soort toeval of willekeur gaat het hier?’ (273) ‘Waarom zou God niet het einddoel aan de evolutie kunnen hebben meegegeven?’ (277) Vervolgens lezen we over een erg onheldere woordenwisseling tussen Alvin Plantinga en Herman Philipse.
Het lijkt mij dat op het moment dat toeval gestuurd wordt er dan geen sprake meer is van toeval. Het begrip ‘geleide evolutie’ vind ik een contradictio in terminis.
Om kort te gaan: Van den Brink gelooft dat achter de willekeur en verspilling van het evolutieproces wel degelijk een plan van God schuilt.

 

De theodicee

Heel beknopt (176) beschrijft Van den Brink de verschillende wegen die gekozen worden bij de vraag van het waarom, de theodicee-vraag. Plantinga heeft als vertrekpunt de vrije wil. John Hick spreekt over karaktervorming. Richard Swinburne kiest voor ‘the greater good defense’ (hoge waarden die alleen door een evolutionaire voorgeschiedenis bereikt kunnen worden). Het sceptisch theïsme zegt dat we het niet begrijpen, maar dat God zijn verborgen redenen kan hebben. De christologische benadering spreekt over de ‘kruisvormigheid’ der natuur. En er is ten slotte de gedachte dat bij de Voleinding alles goedgemaakt zal worden.

 

Beoordeling

Van den Brink is een geleerd mens. In die zin voel ik mij een kleine jongen. Maar het is evident dat men met dezelfde feitenkennis ook andere keuzes kan maken. Ik deel met Van den Brink het uitgangspunt dat alleen orthodoxie interessant is bij de verantwoording van het christelijk geloof. Wie wezenlijke elementen van het christelijk geloof laat vallen, heeft feitelijk niet meer een boodschap voor de buitenwereld.
Ik vind de analyse die Van den Brink maakt steekhoudend, maar ik maak toch op belangrijke punten andere keuzes. Mijn belangrijkste verschil met hem is dat ik problemen liever laat staan. Ieder mens heeft in zijn leven een levensbeschouwelijk zwaartepunt. En iedere levensbeschouwing (ook de atheïstische!) heeft problemen. Het is dus geen schande om als gelovige te erkennen: hier ligt een probleem. In het begin van het boek formuleert Van den Brink dat ook. Maar in de loop van het boek is hij toch druk bezig om aan de hand van wat ‘bijstellingen’ problemen op te lossen.
Wat betreft het verhaal van het paradijs en de zondeval kies ik voor de ahistorische uitleg. De eerste hoofdstukken van de Bijbel zijn essentieel voor het christelijk geloof. Ze proberen antwoord te geven op de grote vragen van het leven. Is het hier wel vertrouwd op aarde? Ben ik wel veilig? Wat is de bedoeling van het huwelijk? Hoe ga je om met verleiding? Waarom is er zoveel tragiek in het leven? Gen. 1-3 is bepalend voor de structuur van het christelijk geloof. Maar we zijn het paradijs kwijt. Het is er nooit geweest. En de grote vraag van het lijden is veel omvangrijker dan we ooit gedacht hebben.
Daar staat tegenover dat de Bijbel wel het verhaal van God met de mensen vertelt. Er is openbaring. God gaat een weg met Abraham. God leidt zijn volk door de woestijn. En het belangrijkste: door Jezus leren we God kennen. Deze boodschap is uniek in de wereld.

Ik denk overigens niet dat de verschillen die ik hier benoem heel fundamenteel zijn. Na het lezen van En de aarde bracht voort ben ik vooral verwonderd over het heldere en geleerde betoog dat hier op papier staat.

 

Voetnoten

1) Dekker e.a., En God beschikte een worm. Over schepping en evolutie (Ten Have, 2006), 78.
2) Dekker e.a., En God beschikte een worm, 74.

 

 

Gijsbert van den Brink, En de aarde bracht voort. Christelijk geloof en evolutie, Boekencentrum 2017, 364 pag., 23 €

 

Uitgebreid zoeken

Categorie
Tag
Auteur
Tekst