Wat kunnen de neurowetenschappen verklaren?

Mevrouw A heeft een depressie. Alles is grijs. Niets geeft haar meer plezier. Ze heeft moeite om zich tot iets te zetten. Ze komt met moeite uit bed en zit overdag het liefst op de bank. Het leven trekt zich aan haar voorbij, ze kan zich moeilijk concentreren. Haar seksuele gevoelens zijn verdwenen. Haar geloof zegt haar weinig en wat ze in de kerk hoort is aan haar niet meer besteed.

Mevrouw A bezoekt de psychiater. Deze onderzoekt haar en constateert dat er sprake is van een depressie. Er volgen gesprekken. Tegelijk wordt er gestart met medicijnen. Na twee weken verbetert de slaap. Na vier weken rapporteert mevrouw A dat haar energie weer aan het terugkeren is. Ook voelt ze zich minder gedeprimeerd. Na twee maanden is de depressie over.

Laten we er van uit gaan dat het hier niet gaat om een spontaan herstel, dat toevallig in de tijd samenvalt met het bezoek aan de psychiater. Laten we er ook vanuit gaan dat de antidepressieve medicatie minstens voor een deel verantwoordelijk is voor de verbetering. Dan moeten we concluderen dat het herstel van mevrouw A’s stemming, concentratievermogen en zelfs haar geloofsleven ten minste deels wordt ‘veroorzaakt’ door het gebruik van medicijnen

In dit artikel gaat prof. Glas in op de vraag wat die uitspraak betekent. Bewijst die uitspraak niet dat voelen, denken, willen en geloven uiteindelijk gewoon het product, het causale gevolg, zijn van bepaalde processen in de hersenen? Betekent het misschien zelfs dat voelen, denken, willen en geloven niets anders zijn dan een hersenproces en dat ze daartoe herleid kunnen worden? Of moeten we uitgaan van een heel andere denkwijze waarin brein, bewustzijn en gedragingen niet eerst los van elkaar worden gekoppeld of tot elkaar worden herleid?

Uitgebreid zoeken

Categorie
Tag
Auteur
Tekst