Debat Philipse - Swinburne

Debat Philipse - Swinburne
22 mei
2012
Nieuws

Richard Swinburne is een beroemd filosoof. Samen met D.Z.Phillips en John Hick wordt hij gerekend tot de belangrijkste analytische godsdientswijsgeren van de naoorlogse generatie. Inmiddels is Swinburne met emeritaat.

Afgelopen maandag (21 mei) was hij in Nederland. Hij was uitgenodigd om samen met prof. Herman Philipse van gedachten te wisselen over de betekenis van zijn werk. Dit naar aanleiding van Philipses nieuwe boek, God in the Age of Science, dat voor het merendeel bestaat uit een grondige kritiek op het werk van Swinburne (250 van de 350 pagina’s zijn gewijd aan het werk van Swinburne).

De roem van Swinburne en Philipse was af te lezen aan het grote aantal bezoekers: de collegezaal van de VU zat vol. Zoals gebruikelijk bij dergelijke debatten kregen de sprekers een beperkte hoeveelheid tijd om hun opvattingen over het voetlicht te brengen; vervolgens hadden de sprekers nog kort de gelegenheid om beurtelings te reageren. Tot een echt debat kwam het overigens niet. Swinburne gebruikte zijn spreektijd voornamelijk om zijn opvattingen te verduidelijken en misverstanden uit de weg te ruimen.

Swinburne

Swinburne begon zijn voordracht met de opmerking dat zijn werk, in essentie, moet worden beschouwd als een uitwerking van de gedachten en argumenten van beroemde voorgangers (met name Thomas van Aquinas); zijn enige verdienste is dat hij, Swinburne, hun zienswijze heeft gemoderniseerd. Het uitgangspunt is dat er een zekere redelijkheid ten grondslag ligt aan de bouw van het heelal (deze overtuiging is overigens wijdverbreid onder godsdienstwijsgeren). De inrichting van de werkelijkheid is zo bedacht dat het ontstaan van mensen mogelijk is; de mensen zijn, vervolgens, uitgerust met het vermogen om op verantwoorde wijze te handelen: de zorg voor onze medemens werd ons door God toevertrouwd; de mens kan hier naar eigen goeddunken gebruik of misbruik van maken (het is belangrijk om op te merken dat deze ethische verantwoordelijkheid alleen tot zijn recht komt als God niet ingrijpt!). Om ethisch te kunnen handelen hebben mensen een lichaam nodig. Een lichaam kan alleen worden bediend als er enige simpele natuurwetten bestaan (vergelijk: een vis kan alleen bestaan als er water is).

Een werkelijkheid van een dergelijke opzet kan niet verklaard worden door louter en alleen te verwijzen naar een verzameling natuurwetten. Zo kan het bestaan van bewustzijn, een noodzakelijk ingrediënt voor ‘ethische’ wezens, niet verklaard worden door een beroep te doen op louter fysische eigenschappen. Voorts is het bestaan van de natuurwetten niet af te leiden uit de natuurwetten zelf. Al met al is een persoonlijk God de meest eenvoudige en voor de hand liggende verklaring voor de werkelijkheid zoals wij deze waarnemen. Let op: we mogen dit van Swinburne geen bewijs noemen. Hij stelt dat het bestaan van God, gegeven het ontwerp van de werkelijkheid, de meest waarschijnlijke verklaring is.

Deze zienswijze roept een aantal misverstanden op. Zoals de gedachte dat God het heelal geschapen heeft louter en alleen voor de mens. Dit is echter niet wat Swinburne beweert: hij sluit niet uit dat er mensen zijn op andere planeten; bovendien is de gehele schepping waardevol. Ook wijst Swinburne de evolutie niet af. Een ander misverstand is het om te denken dat God, volgens Swinburne, vóóraf ging aan de werkelijkheid: God schept de werkelijkheid door deze voortdurend te ‘onderhouden’ (zoals een zanger een noot door voortdurende inspanning laat klinken).

Philipse

Philipse gebruikte zijn spreektijd om puntsgewijs zijn meest essentiële kritiek op de zienswijze van Swinburne weer te geven.

-Swinburne doet een beroep op de orde in het heelal en legt vervolgens een verband met het bestaan van God. Het is echter de vraag of de orde in het heelal een factor is die mensen aanzet tot geloof. Cognitief onderzoek laat zien dat geloof in God een aangeboren neiging is die we al aantreffen in kinderen (Philipse verwijst hier naar onderzoek van Guthrie, Barrett, Bering e.d.).

-Als we het hebben over de vraag hoe God het heelal geschapen heeft, dan ontstaat er de nodige duidelijkheid: als God het begin was, dan heeft hij een probleem als het heelal oneindig blijkt te zijn; als God een onderhouder is, dan kan hij slechts deels ten grondslag liggen aan het bestaande heelal, want niet alle verschijnselen hebben voortdurend ‘onderhoud’ nodig om te kunnen bestaan.

-Het meest fundamentele bezwaar tegen Swinburnes visie van God is, volgens Philipse, dat het voor ons volstrekt zinloos is om te spreken van ‘vrijzwevende’ mentale eigenschappen zonder lichaam. De enige mentale eigenschappen die wij kennen vinden we terug in mensen; en de functie van deze menselijke mentale eigenschappen is alleen begrijpelijk als we weten dat een mens een lichaam heeft. Kortom, Swinburnes voorstelling van God is een compositie die we in de werkelijkheid vermoedelijk niet zullen aantreffen. Bovendien is het ondoenlijk om te zeggen, gegeven het bestaan van God, hoe ‘waarschijnlijk’ het bestaan van het heelal is: wij weten immers niets van de beweegredenen die God kan hebben gehad?

Vanzelfsprekend hebben denkers als Philipse en Swinburne niet voldoende aan de spreektijd die hen wordt toebedeeld. Niet omdat ze wijdlopig zijn, maar omdat ze iets te zeggen hebben. Swinburne is in het verleden fel aangevallen om zijn theodicee (D.Z.Phillips noemde hem ‘immoreel’). Het spreekt daarom voor zich dat Swinburne, ten overstaan van een publiek, met de nodige gedrevenheid spreekt over zijn opvatting van dit vraagstuk: dan is het tamelijk ongelukkig wanneer men hem juist in een betoog over dit onderwerpt afbreekt. (Swinburne had wijselijk gevraagd aan de organisatie om het ‘probleem van het kwaad’ niet aan de orde te stellen. Toen deze kwestie echter door het publiek werd opgerakeld, schoot Swinburne overeind en zei, enigszins getergd: ik wist dat men hier over beginnen zou!). Dit was het enige smetje op een zeer geslaagde avond.

Philipse maakte de opmerking dat voor mensen de tijd snel gaat als men geboeid is, en dat de tijd langzaam gaat als de mens verveeld is (hoe dit voor God is weten we niet). Het debat was, helaas, in een oogwenk voorbij.

Update: hele hele debat tussen Swinburne en Philipse is via bovenstaande videoscherm terug te zien

Media

Reacties mogelijk gemaakt door CComment

Uitgebreid zoeken

Categorie
Tag
Auteur
Tekst

Laatste reacties

  • Inderdaad, het kan actueel bestaan, daarom blijf ik ook dapper meespelen. 20-08-2018 16:28
  • @Jac: Slechts als wij weten dat God actueel bestaat kunnen wij weten dat hij mogelijk bestaat"

    Je kunt het woordje "mogelijk" in deze zin wel schrappen.  20-08-2018 16:22
  • Sorry, vergissing.

    " Slechts indien wij weten dat God actueel bestaat mogen wij zeggen dat hij actueel bestaat." moet zijn:
     "Slechts als... 20-08-2018 16:09
  • Ronald,

    Waarom denk je dat ik te veel geobsedeerd zou kunnen zijn door de begrippen 'contingent" en "noodzakelijk"?
    Als je moeite hebt met... 20-08-2018 16:04
  • Bert
    Als ik een gedachte denk, hoeft dat niet "bewezen" te worden door een fysieke representatie. Die gedachte is op zichzelf al een... 20-08-2018 15:37
  • Bert Morriën zei Naar deze reactie >>>
    Jan,

    Voor mij is het niet-denken een probaat middel om in slaap te komen. Dat bereik ik door met gesloten ogen geconcentreerd op te letten... 20-08-2018 15:32